Populaties van boerenlandvogels in Europa zijn gedaald naar een dieptepunt. Dit blijkt uit de laatste gegevens van het Pan-European Monitoring Scheme. Hierin zijn tussen 1980 en 2009 populaties van 145 algemene vogelsoorten in 25 landen gemonitord. De resultaten laten zien dat boerenlandvogels het hardst achteruit gaan en dat ze de laagste aantallen ooit hebben bereikt. In de Top 10 van de snelste dalers staan verschillende kenmerkende soorten van het Nederlandse boerenland, zoals patrijs Perdix perdix (66% afname in Europa, 95% afname in Nederland), grutto Limosa limosa (55% afname in Europa, 60% afname in Nederland), graspieper Anthus pratensis (51% afname in Europa, 50% afname in Nederland) en kneu Carduelis cannabina (49% afname in Europa, 50-75% afname in Nederland). Daarnaast nemen ook andere soorten sterk in aantal af, navolgend de afname in Nederland: Tureluur Tringa totanus en Torenvalk Falco tinnunculus 50%, Kievit Vanellus vanellus 40%, Boerenzwaluw Hirundo rustica 50-75%, Zomertortel Streptopelia turtur 85%, Veldleeuwerik Alauda arvensis 90%.
Intensivering van de landbouw is de belangrijkste oorzaak van de achteruitgang van boerenlandvogels. Het veelvuldige gebruik van bestrijdingsmiddelen zoals insecticiden, fungiciden en herbiciden veroorzaakt een sterke achteruitgang van bloemen (en zaden), kruiden en insecten. Onmisbare voedselbronnen voor vogels (zaden en insecten) worden door de moderne landbouw dus zeer schaars, met name in de broedperiode. Het voortplantingssucces van boerenlandvogels is daardoor te gering om de populaties in stand te houden.
Milieufederatie Zuid-Holland maakt zich ernstig zorgen over de terugloop van het aantal weidevogels. In een brief aan de provincie dringt de organisatie aan op maatregelen om verdere achteruitgang te stoppen. ,,De stand van de weidevogels neemt jaarlijks nog steeds met 3 procent af. De grutto Limosa limosa neemt zelfs met 4,6 procent af, terwijl 16 procent van de Nederlandse grutto’s in onze provincie broedt’’, constateert directeur Ouwehand.
We studied arthropod occurrence in fallow land, extensively used pastures, extensively used meadows (cut twice or three times a year) and intensively used meadows (cut more than three times ayear) in Upper Bavaria.
Medium-sized arthropods (5-15mm) were encountered much less frequently on intensively used and fallow land than on pastures and extensively used meadows. Large individuals (>15mm) were observed most frequently on pastures but were hardly found on intensively used meadows. In autumn they occurred almost exclusively on pastures and fallow land. Species richness was the highest on pastures and the lowest on intensively used meadows. The study underscores the depletion of arthropod fauna and in particular the decline of large arthropods on intensively used meadows. It indicates that extensively used meadows and extensively used pastures in particular are the most favourable sources of nutrition for insectivores such as reptiles, amphibians, birds or bats.
De stand van weidevogels neemt jaarlijks verder af met 3% in de provincie Zuid-Holland. Dit terwijl het karakteristieke weidelandschap in Zuid-Holland altijd van groot belang is geweest voor de weidevogels. Nederland herbergt nog steeds ongeveer de helft van de Europese broedpopulatie van de Grutto Limosa limosa en 30% van de wereldpopulatie van de Scholekster Haematopus ostralegus, een flink deel daarvan is te vinden in Zuid-Holland. Soorten als Kemphaan Philomachus pugnax en Watersnip Gallinago gallinago zijn al uit het boerenland verdwenen. Dit dreigt nu ook te gaan gebeuren met de Grutto, Scholekster en Veldleeuwerik Alauda arvensis.
Het aantal broedparen van steltlopers in het Zwin in Knokke is de afgelopen twee decennia sterk verminderd. Vooral sinds 2000 is de daling opvallend. In jaren ’80 werden jaarlijks gemiddeld 48 broedende kluten Recurvirostra avosetta geteld, in de jaren ’90 46, maar in de periode 2000-2008 nog slechts 7. Voor de scholekster Haematopus ostralegus was er tussen de jaren ’80 en 2000-2008 een daling van 53 tot 15 per jaar en voor de tureluur Tringa totanus van 28 tot 15. In de volledige periode 2004-2008 bijvoorbeeld werd geen enkele broedend paar bontbekplevier Charadrius hiaticula en strandplevier Charadrius alexandrinus opgemerkt. Ook het aantal kluten (12), scholekster (8) en tureluren (17) bleef in de periode 2004-2008 beperkt.
Van de 13 soorten broedvogels die in de trilaterale Waddenzee sinds 1991 een afname laten zien zijn er 11 steltlopers (scholekster Haematopus ostralegus, kluut Recurvirostra avosetta, strandplevier, bontbekplevier, watersnip, grutto Limosa limosa, kievit Vanellus vanellus, wulp Numenius arquata, tureluur, kemphaan), zo blijkt uit de nieuwste analyse van internationale waddenzeetrends die in 2009 beschikbaar kwam op www.waddensea-secretariat.org. Watersnip Gallinago gallinago, Kemphaan Philomachus pugnax en Bonte Strandloper Calidris alpina staan op het punt van verdwijnen als broedvogel. Onder de andere steltlopers vertonen Strandplevier Charadrius alexandrinus en Bontbekplevier Charadrius hiaticula de sterkste afname; hun aantallen halveerden in de afgelopen tien jaar. Sinds 1990 is het aantal Scholeksters dat in het Waddengebied broedt met 40% afgenomen. De meeste andere steltlopers namen in dezelfde periode met 20-30% in aantal af. Van betrekkelijk recente datum is de afname van de Tureluur Tringa totanus, die sinds 2000 vooral in de Nederlandse en Duitse Waddenzee terrein heeft prijsgegeven.
Met een brandbrief aan gedeputeerde Weber van de Provincie Zuid Holland vraagt Natuurmonumenten aandacht voor de situatie van de weidevogels op Goeree. In de polder Oude Oostdijk, het enige beschermde agrarische weidevogelgebied op Goeree-Overflakkee, dreigt het dramatisch mis te gaan met de weidevogelstand.
De scholekster en grutto zijn in Nederland sinds 1990 gestaag achteruit gegaan. De achteruitgang van de kievit is rond 1995 begonnen. De tureluur deed het lange tijd goed en nam zelfs toe, totdat rond 2000 ook bij deze soort een neerwaartse tendens inzette. Vooral de achteruitgang van de scholekster in de laatste vijf jaar is opvallend groot: gemiddeld per jaar ruim 5%. Bij grutto, kievit, wulp Numenius arquata en watersnip Gallinago gallinago is een vergelijkbare aantalvermindering te zien. De afname is het sterkst in de veengebieden van Noord-Nederland. Opvallend is dat in deze broedbiotoop (weidegebied) het voedselpatroon van steltlopers grote overeenkomsten vertoont. Regenwormen en insecten lijken in weidegebied de sleutel te zijn tot de aanwezigheid van broedende steltlopers. Opmerkelijk is ook dat van de 13 soorten broedvogels die in de trilaterale Waddenzee sinds 1991 een afname laten zien er 11 steltlopers zijn. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat in belangrijke broedbiotopen van steltlopers (zoals kluut, bontbekplevier en strandplevier) in het Deltagebied en de Waddenzee ongewervelde dieren bedreigd worden door extreme verontreiniging van het oppervlaktewater met imidacloprid.
De achteruitgang van de scholekster Haematopus ostralegus gaat nog sneller dan de teloorgang van onze nationale weidevogel de grutto Limosa limosa en is te vergelijken met de afname van de Veldleeuwerik Alauda arvensis in het agrarisch gebied. Sinds 1990 is het aantal Scholeksters dat in Nederland broedt met 50% afgenomen. Een vergelijkbare afname van meer dan 40% heeft zich voorgedaan in het Waddengebied. Recent onderzoek heeft uitgewezen dat van alle scholeksters 77 procent in het agrarisch land broedt, 4 procent in de stad een nest heeft en 19 procent op de kwelders zit. Scholeksters die zich hebben gespecialiseerd in het leven op het boerenland eten vooral wormen en insectenlarven.
De wulp Numenius arquata leeft in ons land zowel in zoetwatermeren, plassen en rivieren, als in intergetijdengebied en in agrarisch gebied. Geschikte voedselterreinen voor de wulp zijn ondiepe oevers van plassen en rivieren, droogvallende platen in intergetijdengebied en graslandpercelen. Wulpen zijn vooral te zien in het oosten van het land: Drenthe, Overijssel en Noord-Brabant herbergen het leeuwendeel van de Nederlandse wulpen. Ook de Waddeneilanden huisvesten veel wulpen. De gegevens van SOVON duiden er op dat de broedpopulatie van de wulp sinds 1990 significant achteruit gaat. Ook in veel andere delen van Europa vertoont de Wulp sinds de jaren 1990 een dramatische achteruitgang (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. Wulpen moeten op de heide met een steeds grotere maat lantaarn gezocht worden: de stand is er sinds 1990 met 87% gekelderd. In het binnenland bestaat zijn dieet uit regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten) en andere ongewervelden zoals kevers en pissebedden.
De wulp broedt in duinen, weilanden, moerassen, etc., met dichte vegetatie. In het binnenland bestaat zijn dieet uit regenwormen, larven van langpootmuggen (emelten) en andere ongewervelden zoals kevers en pissebedden. In getijdengebieden bestaat het uit wormen, jonge strandkrabben (vooral ’s zomers) en andere kreeftachtigen, en plaatselijk ook uit schelpdieren.