De natuur wordt in veel tuinen niet meer gedoogd. Het is een trend om een tuin te beleggen met stenen of tegels en te omzomen met een schutting in plaats van een heg. Overal worden planten in potten gezet in plaats van de volle grond. Hier is geen plaats meer voor plant of dier. Geen vlinders, insecten, egeltjes, vogels en andere prachtige natuurverschijnselen. Vlinders kunnen zich niet meer voeden of een eitje afzetten want daarvoor zijn bloeiende planten en hier en daar een brandnetel nodig. Insecten, egels en andere dieren kunnen zich niet meer verschuilen en voedsel zoeken onder de struiken en in tuinafval. De vogels, als roodborst, winterkoningen, kool- en pimpelmezen vinden geen struiken of bomen meer om te schuilen en te nestelen. In deze tuinen zijn de insecten waarmee ze hun jongen voeren niet meer aanwezig. Egels vinden er geen wormen en slakken en worden tegen gehouden door al die schuttingen. In de stedelijke omgeving wordt het voortbestaan van insecten nog verder bemoeilijkt door verschraling van de beplantingen. Steeds vaker worden uit kostenoverwegingen kleurrijke beplantingen vervangen door verharding of gazons. En dat is bepaald niet bevorderlijk voor de levenskansen van insecten. Tips voor natuurlijk tuinieren en de bevordering van biodiversiteit in de stedelijke omgeving, zie bijlage.
De groep Veluwe Zuid van de Nederlandse Bijenhouders Vereniging (NBV), in vergadering bijeen op 4 april 2012, in overweging nemende dat publicaties ( o.a. Science 30 maart 2012 Universiteit Stirling, en INRA, Frankrijk) van veldproeven de schadelijkheid van neonicotinoïden inmiddels ondubbelzinnig hebben aangetoond, heeft het hoofdbestuur van de NBV met klem verzocht om nu snel in deze zaak de noodzakelijke acties te ondernemen op basis van het uitgangspunt: “bij twijfel niet gebruiken en dus verbieden” (bijlage). Deze motie, die werd ontraden door het hoofdbestuur van de NBV, is op de algemene ledenvergadering (ALV) van de NBV van 28 april 2012 in stemming gebracht en aangenomen (265 geldige stemmen, 15 onthoudingen, 107 tegen, 143 voor). Het hoofdbestuur zal de motie uitvoeren terwijl de voorzitter het elk bestuurslid vrij laat om ook zijn eigen mening uit te dragen.
De Europese ombudsman gaat onderzoeken of de Europese Commissie wel voldoende maatregelen heeft genomen tegen bijensterfte door bepaalde insecticiden. Aanleiding is een klacht uit Oostenrijk die stelt dat de Commissie onvoldoende rekening houdt met nieuw wetenschappelijk bewijs omtrent de schadelijkheid van neonicotinoïden. Volgens de Oostenrijkse ombudsdienst moeten neonicotinoïden opnieuw geëvalueerd worden aangezien zowel observaties van imkers als wetenschappelijke studies wijzen op een verhoogde bijensterfte door insecticiden van die groep. Op dit ogenblik analyseert de Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA twee studies die verschenen in het wetenschapsblad Science. Daarin maakten Schotse en Franse wetenschappers met praktijkproeven duidelijk dat twee insecticiden van de groep der neonicotinoïden (imidacloprid en thiamethoxam, nvdr.) schadelijk zijn voor hommels en honingbijen. EFSA onderzoekt ook of Italië het bij het rechte eind heeft door uit voorzorg met insecticiden behandelde maïszaden van zijn grondgebied te weren.
In Nederland was de Zilveren maan (Clossiana selene) vroeger een algemene standvlinder, maar nu is hij bijna verdwenen. Deze vlindersoort komt nog voor in het veenweidegebied op de grens van Utrecht en Zuid-Holland, in de kop van Overijssel, in Friesland en op Terschelling. In het verleden bestonden er populaties van de Zilveren maan in Limburg, onder meer op de Brunssummer- en Schrieversheide, in Epen langs de Terzieterbeek en bij de Breukberg en het Heringsbosch. De vlinder kwam ook in Midden Limburg voor, in de Kruispeel nabij Weert, in de omgeving van Vlodrop-Station op de Meijnweg en in het Haeselaarsbroek bij Echt. In deze gebieden kwamen moerasviooltjes (Viola palustris) voor, de belangrijkste voedselplant (ook wel waardplant genoemd) voor de rupsen van de Zilveren Maanvlinder. Ze overwinteren in de omgerolde randen van de bladeren en eten er zowel voor als na de winter van. De belangrijkste eis die de vlinder aan zijn leefgebied stelt is een hoge dichtheid aan deze waardplanten. Er is onderzocht dat er minstens 30 viooltjes per m2 moeten voorkomen. Aan deze eis wordt alleen nog voldaan in moerasgebieden in Noordwest Overijssel, Noord- en Zuid-Holland en Midden Friesland.
Het veenhooibeestje (Coenonympha tullia) was aan het begin van de twintigste eeuw een algemeen vlindertje dat in vrijwel alle hoogvenen en veentjes van de zand- en veengronden voorkwam. Daarna liepen de verspreiding en de aantallen langzaam maar zeker terug. In de jaren tachtig van de vorige eeuw was het nog een vrij zeldzame standvlinder. Hij vloog toen nog in redelijk aantallen in venen en veentjes in Drenthe, Overijssel, de Achterhoek en de Grote Peel. Daarbuiten lagen ook nog enkele geïsoleerde populaties, zoals in Friesland. Daarna ging de soort nog verder achteruit. In 1991 verdween hij uit de Grote Peel, in 1995 uit de Achterhoek. De laatste waarneming uit Overijssel stamt uit 2000. Tegenwoordig is het veenhooibeestje bijna uit het Nederlandse landschap verdwenen. Ook op Europese schaal is het veenhooibeestje een kwetsbare soort die de laatste 25 jaar met twintig tot vijfentwintig procent is achteruitgegaan. Naast zijn beschermde status volgens de Nederlandse flora- en faunawet, staat de soort ook op de Vlaamse, Waalse, Duitse en Britse Rode Lijst.
In Nederland kwam de moerasparelmoervlinder (Euphydryas aurinia) aan het begin van de twintigste eeuw in vrijwel alle schrale graslanden van de voedselarme zandgronden, het veenweidegebied en de duinen voor. Op de zandgronden en het veenweidegebied vloog hij in de blauwgraslanden, in de duinen vloog hij boven nat, schraal grasland en in Zuid-Limburg op kalkgraslanden. Met het verdwijnen van de blauwgraslanden ging het ook bergafwaarts met de moerasparelmoervlinder. De moerasparelmoervlinder is sinds 1982 uit Nederland verdwenen. De laatste populatie bevond zich bij de Meije in het Utrechts veenweidegebied. De moerasparelmoervlinder is verdwenen uit Vlaanderen en staat op de Waalse, Duitse en Britse Rode Lijst. Vlinders die leven in vochtige graslanden en blauwe knoop als waardplant gebruiken zijn inmiddels zeer zeldzaam en beperkt tot enkele kleine populaties in België, Frankrijk en Duitsland. Voor deze vlinders ziet het voortbestaan er in Noordwest-Europa somber uit.
In het schitterende blauwgrasland van de Alblasserwaard van vroeger kwamen plantensoorten voor die hier ooit eens algemeen waren, bijvoorbeeld de harlekijnsorchis, de kievitsbloem, het zomerklokje, het rilgras, de grote ratelaar, en de spaanse ruiter. De schoolkinderen liepen toen met armen vol kievitsbloemen langs de huizen in Goudriaan en Groot-Ammers. De zomerklokjes werden gerooid en verkocht. De bonte weidepercelen van vroeger hebben nu plaatsgemaakt voor eentonige graslanden met zaaigrassoorten. Door het verdwijnen van de blauwgraslanden komen twee soorten parelmoervlinders niet meer voor in de Alblasserwaard. Vroeger vloog de oranjetip bij honderden tot duizenden over weilanden. Nu is het witje met de oranje vleugeltoppen voor 99% verdwenen. Ook de prachtige Koninginnepage die ooit zo gewoon was is verdwenen.
Echt duizendguldenkruid (Centaurium erythraea) wordt voornamelijk bestoven door zweefvliegen. Wanneer bloemen echter onbezocht blijven, zijn zij in staat om via spontane zelfbestuiving toch zaden te produceren. De gevolgen van een drastische achteruitgang aan bestuivers op de bestuiving van Echt duizendguldenkruid werden onderzocht in enkele grote natuurlijke populaties van deze soort in de kustduinen (rijk aan bestuivers) en in de Waaslandhaven (arm aan bestuivers). Het onderzoek toonde aan dat de populaties in de Waaslandhaven enkel bestonden uit planten met opvallend kleinere bloemen, die veel beter in staat waren om aan zelfbestuiving te doen zonder tussenkomst van bestuivers. Omgekeerd bleken planten uit de duinen veel minder in staat om in de zweefvliegarme omgeving van de Waaslandhaven optimaal zaden te produceren. Een gebrek aan bestuivers heeft dus invloed op de genetische samenstelling van de plantenpopulaties en veroorzaakt een evolutie naar kleinere, meer zelfbestuivende bloemen, die voor bestuivers minder aantrekkelijk zijn. Omgekeerd blijkt dat in aanwezigheid van voldoende bestuivers juist planten met opzichtige bloemen het meest succesvol zijn.
In der Schweiz werden gemäss Angaben des Bundesamtes für Landwirtschaft (BLW) jährlich rund vier Tonnen Neonicotinoide auf Mais, Raps, Zuckerrüben, Gemüse, Kartoffeln, Obst und Zierpflanzen ausgebracht. Nicht nur die gängige Landwirtschaftspraxis ist schuld an der unterschwelligen Vergiftung unserer bestäubenden Insekten. Auch Privatpersonen greifen für ihren Schrebergarten oder ihre Balkonoase gerne auf Neonicotinoide zurück. Ihre systemische Wirkung ist äusserst praktisch, denn sie müssen nur in den Blumentopf gegossen werden, und schon sind die Blattläuse, die Weissen Fliegen oder die Spinnmilben Geschichte. Nur sind leider auch hier die Bienen die Leidtragenden.
Im Frühjahr 2008 gingen im Raum Freiburg Tausende Bienenvölker zugrunde, weil das Neonicotinoid Clothianidin bei der Aussaat auf Blütenpflanzen gelangt war - in für Bienen tödlicher Dosis. Jetzt häufen sich Studien, die berichten, dass bereits Kleinstmengen dieser Pestizide den Insekten schaden können.