De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit en dreigt uit te sterven in Nederland

De landelijke populatie van de grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is achteruitgegaan van ten minste 5.000 broedparen in 1950-1960 tot 1.200-1.600 in 1970-1980, 400-550 in 1989-1991, 250 in 1999-2003, en 150-180 in 2009. De grote karekiet nestelt langs de randen van rietmoerassen en langs grote open wateren met brede waterrietzones en het voedsel bestaat vooral uit water- en oeverinsecten zoals libellen en waterkevers. Het verspreidingsgebied van de grote karekiet is nu geconcentreerd in een aantal kerngebieden, met het belangrijkste bolwerk in Noordwest-Overijssel en directe omgeving (Wieden, Ketelmeer-Vossemeer, Zwarte Meer). Over de periode 1989-2001 bedroeg de afname in het bolwerk in Noordwest-Overijssel 40%. De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst.

De kemphaan is verdwenen uit Vlaanderen en bijna uitgestorven in Nederland

Het gaat bar en bar slecht met de Nederlandse kemphanen Philomachus pugnax. Ten opzichte van de jaren '50 is de stand bijna met 100 procent afgenomen. In 1950 broedden er in Nederland nog 6000 paar, rond 2002 nog maar 120 en daarna ging het verder bergafwaarts. In Vlaanderen staat de kemphaan als verdwenen op de Vlaamse rode lijst. De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. De kemphaan ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De kemphaan kwam vroeger veel voor in de natte weilanden van laag-Nederland. Het zwaartepunt van de huidige broedverspreiding ligt in Friesland (in natuurreservaten en natte veenweidegebieden in het ‘Lage Midden’ van de provincie) en in Noord-Holland (Waterland, Wormer- en Jisperveld, Alkmaardermeer). In graslanden en op bewerkt land eten kemphanen overwegend regenwormen en larven van langpootmuggen (emelten).

In een paar decennia is de gehele Nederlandse broedpopulatie van de kuifleeuwerik weggevaagd

De kuifleeuwerik Galerida cristata was zo'n 30 jaar geleden nog een algemene broedvogel met een geschat aantal van zo'n 3000 tot 5000 broedparen. Nu, begin 2011, lijkt het erop dat er nog slechts twee vogels overgebleven zijn op een onooglijk industrieterrein in de buurt van Venlo. Of het een paartje is, is niet eens bekend. De laatste tien jaar is het hard gegaan en zijn de overgebleven voormalige bolwerkjes in rap tempo uitgedoofd. In een paar decennia is de gehele populatie dus weggevaagd. In de Duitse deelstaat Sachsen liep de populatie binnen 10 jaar terug van 500-800 broedparen in 1993 - 1996 tot 150 -300 broedparen in 2004 - 2007 (zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. In Luxemburg is de kuifleeuwerik in 1973 al uitgestorven. In grote delen van Europa ging de kuifleeuwerik in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). Kuifleeuweriken zijn extreme standvogels (waardoor er geen aanwas vanuit omringende landen te verwachten is), leven op open zandige en stoffige vlakten met schaarse vegetatie, vaak nabij menselijke bewoning, en voeden zich met ongewervelde dieren, zaden en bladeren.

Graslandvlinders gaan in Europa sterk achteruit

De zogenaamde Graslandvlinder Indicator geeft aan dat 17 karakteristieke en wijdverbreide vlindersoorten met meer dan zeventig procent zijn afgenomen in de laatste twintig jaar. De graslandindicator is gebaseerd op vlindertellingen op 3.000 plekken in 15 landen in heel Europa. Het gaat om wekelijkse tellingen van volwassen vlinders langs een vaste route. De indicator wordt berekend uit de individuele trend van 17 karakteristieke graslandsoorten die wijdverspreid in heel Europa voorkomen. Vlinders zijn gevoelige milieu-indicatoren en het resultaat wijst op een enorm verlies van de Europese biodiversiteit. Een onderliggende kracht achter de verliezen is de intensivering van landbouwgronden.

Sterke achteruitgang van de duinvlinders in de laatste tien jaar

De duinen waren jarenlang zeer vlinderrijk en het leek of de achteruitgang daar minder dramatisch was dan in het binnenland. Toen in 1990 het Meetnet dagvlinders startte, waren de duinen nog het soortenrijkste gebied. Ook in de periode tot 2000 werden op de monitoringroutes in de duinen nog erg veel vlinders geteld, zowel qua soorten als qua individuen. De laatste tien jaar zien we echter juist in de duinen een sterke achteruitgang. Gemiddeld worden er op een route bijna zeven (!) soorten minder gezien dan bij het begin van de tellingen in 1990. Dit is een achteruitgang van 35 procent. Moerasparelmoervlinder Euphydryas aurinia, grote vos Nymphalis polychloros en rouwmantel Nymphalis antiopa zijn inmiddels uit heel Nederland verdwenen.

Het gaat niet alleen over bijen, dit gaat over alle kleine dingetjes die de wereld laten draaien

In de afgelopen vijf jaar of zo begonnen op veel plaatsen bestuivers, honingbijen in het bijzonder, te verdwijnen en zijn regeringen wakker geschud over het probleem, omdat bestuiving miljarden waard is. In feite zijn insecten zoals vlinders, motten, hommels en haften al een lange tijd aan het verdwijnen hoewel bijna niemand, behalve specialisten, het hebben opgemerkt of er bezorgd over waren. Hun neergang begon een halve eeuw geleden met de introductie van pesticiden en andere chemicaliën in de landbouw. Maar de daling is in de afgelopen tien jaar in snelheid toegenomen met de introductie van systemische insecticiden zoals de neonicotinoïden die in alle delen van de plant worden opgenomen, inclusief het stuifmeel en nectar die bestuivende insecten verzamelen.

In zijn boek “The Systemic Insecticides – A Disaster In The Making” stelt de Nederlandse toxicoloog Henk Tennekes dat neonicotinoïden nu in een groot deel van het oppervlaktewater van Nederland aanwezig zijn, insecten uitroeit en in het hele land tot een daling van insectenetende vogels leidt. Als we bezorgd zijn over de kleine dingetjes die de wereld laten draaien, moeten we wakker worden over wat nu hun grootste bedreiging kan worden.

Het toegenomen gebruik van thiacloprid heeft normoverschrijdingen in grond- en oppervlaktewater tot gevolg

Volgens het CBS is het gebruik van het neonicotinoide insecticide thiacloprid gestegen van 320 kg op 1.191 ha in 2004 tot 7954 kg op 59.041 ha in 2008. Als acht ton thiacloprid jaarlijks over Nederlands akkerland verspreid wordt, kan met het EUSES model (European Union System for the Evaluation of Substances) worden berekend dat er een gemiddelde concentratie (in steady state) van 210 nanogram thiacloprid per liter in oppervlaktewater (zie bijlage) en van 815 nanogram thiacloprid per liter in grondwater zal ontstaan. De MTR (maximaal toelaatbaar risiconiveau) norm voor oppervlaktewater is 25 nanogram thiacloprid per liter. Dat betekent dus dat volgens het EUSES model bij het gebruik van thiacloprid op het niveau van 2008 normoverschrijdingen onvermijdelijk zullen zijn. MTR overschrijdingen werden in 2008 inderdaad vastgesteld bij Sint Kruis (Zeeuws Vlaanderen), bij Separatiedij (Zeeland), tussen Zevenhuizen en Moordrecht, tussen Moerkapelle en Waddinxveen, bij Steenderen (Gld), en bij Assen. Deze normoverschrijdingen vormen een dodelijke bedreiging voor insecten.

Sterke achteruitgang van de nachtvlinders in de laatste decennia

Dat het met de meeste dagvlinders niet goed gaat, is uitvoerig gedocumenteerd. Over het lot van de overige soorten, de nachtvlinders, ontbraken tot dusver harde cijfers. Die zijn er nu wel voor de 766 soorten grote nachtvlinders. Vooral dankzij de hulp van veel waarnemers die hun gegevens ter beschikking hebben gesteld kon een grote database worden opgebouwd. Hierdoor weten we eindelijk hoe het gaat met de nachtvlinders in Nederland. Helaas is het beeld niet rooskleurig. De aantallen vlinders zijn in dertig jaar met een derde afgenomen en tweederde van de soorten gaat achteruit. Nachtvlinders en hun rupsen zijn belangrijk voedsel voor heel veel andere dieren in Nederland. Deze achteruitgang heeft dan ook belangrijke consequenties voor bijvoorbeeld vogels en vleermuizen en voor de Nederlandse natuur als geheel.

Insecticiden en de achteruitgang van de groene glazenmaker in de Reeuwijkse Plassen

Een van de kenmerkende soorten van het Zuid-Hollandse veenlandschap is de groene glazenmaker Aeshna viridis, een vrij grote libel (ongeveer zeven centimeter lang). De groene glazenmaker wordt in zijn voortbestaan bedreigd en zit in Zuid-Holland voor een groot deel in agrarisch gebied. In de provincie Zuid-Holland wordt op een tiental locaties de populaties van de groene glazenmaker vanaf 1998 jaarlijks geteld. In 1999 werden de hoogste aantallen aangetroffen. Daarna is het algemene beeld een dalende trend. In 2002 waren er veel routes die geen waarnemingen meer opleverden. De grote populatie van de groene glazenmaker in het Reeuwijkse Plassengebied (dertien plassen tussen Bodegraven en Gouda) lijkt de laatste jaren in omvang te zijn afgenomen. De Reeuwijkse plassen behoort tot de plaatsen waar de aantallen van de insectenetende grote karekiet Acrocephalus arundinaceus eveneens sterk zijn afgenomen. In het oppervlaktewater van de landbouwgronden rondom de Reeuwijkse Plassen (die bij hevige regenval water aan de plassen leveren) zijn vanaf 2004 zeer hoge concentraties van insecticiden gemeten, die een dodelijke bedreiging voor insecten vormen.

Kenmerkende libellensoorten van laagveenmoerassen zijn sterk achteruit gegaan

De groep van kenmerkende libellensoorten van laagveenmoerassen is in de loop van de 20e eeuw sterk achteruitgegaan, waaronder de gevlekte witsnuitlibel Leucorrhinia pectoralis en de Noordse winterjuffer Sympecma paedisca. Tot de jaren 1970 was de noordse winterjuffer vrij algemeen in Midden- en Noord-Nederland, maar in de jaren erna is de soort sterk achteruitgegaan en in de jaren 1990 waren alleen populaties bekend in de Weerribben en de Kuinderplas (Noordoostpolder). Tussen 1900 en 1950 had de gevlekte witsnuitlibel een behoorlijk ruime verspreiding in Nederland (de populatie moet toen bestaan hebben uit enkele tientallen locaties met wellicht in totaal 10.000 dieren per jaar). Het huidige zwaartepunt van de verspreiding van deze soort ligt in de Wieden en Weerribben en het Vechtplassengebied. Vroeger kwam de gevlekte witsnuitlibel ook voor op de zandgronden van oostelijk en zuidelijk Nederland en ook in de duinen zijn tot in de jaren zestig omvangrijke populaties aanwezig geweest. Tegenwoordig bevinden zich in deze regio's slechts enkele kleine en meestal tijdelijke populaties.