Moerasvogels

De velduil is ernstig bedreigd in Nederland en Vlaanderen

Het leefgebied van de velduil Asio flammeus bestaat uit moerassen, graslanden en agrarisch cultuurland. De aanwezigheid van broedende velduilen hangt samen met het voedselaanbod (voornamelijk muizen en vogels). De aantallen van de velduil van voor 1970 zijn niet goed bekend. De soort had destijds een ruime verspreiding over zowel de lage als hoge gronden van Nederland en was lokaal een soms algemene broedvogel. De soort was extreem talrijk in de Flevopolders tijdens de ontginningsfase. Sinds 1973-77 is het verspreidingsgebied van velduil met 85% afgenomen.

Het porseleinhoen komt steeds meer in het nauw

De verspreiding van het porseleinhoen Porzana porzana is tegenwoordig geconcentreerd in moerasrijke gebieden langs de Friese IJsselmeerkust, in Midden- en Zuid-Friesland, het Lauwersmeer, de Kop van Overijssel en Flevoland (Oostvaardersplassen). De soort komt voorts met kleine aantallen voor in het laagveengebied (Zaanstreek), het rivierkleigebied (Rivierengebied), het zeekleigebied (Groningen, Zeeuws-Vlaanderen) en hier en daar op de hoge gronden (Drenthe, Peel). Deze soort kwam de afgelopen decennia steeds meer in het nauw in Nederland. De broedpopulatie, die in de periode 1979-1983 nog gemiddeld 590 paren telde, bedroeg in 1999-2003 gemiddeld 220 paren. In de jaren negentig is de broedpopulatie ook achteruit gegaan in Duitsland, Zwitserland, Finland, Slowakije, Litouwen en de Ukraine (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd.

Het voedsel bestaat grotendeels uit insecten en weekdieren, die worden gevangen in de slikranden.

De snor is sinds 1980 over grote oppervlaktes verdwenen en komt in Vlaanderen nauwelijks meer voor

De snor Locustella luscinoides is een broedvogel van dichtbegroeide oevers van meren, moerassen en kreken, die zijn nest bouwt in overjarig riet of kruidachtige vegetaties die in het water groeien. Het voedsel bestaat uit kleine ongewervelden, die uit de vegetatie of van de grond worden gesnapt. De snor nam in Nederland toe toen de Flevopolders droog vielen en daarin enorme rietvelden ontstonden. Elders in Nederland bleek dat de vogel juist in aantal afnam, ook in de voormalige bolwerken in het Utrechts/Hollands plassengebied en de Friese meren. In de periode 1965-1991 bedroeg de afname in aantallen 60-70% in Noord- en Zuid-Holland en 80% of meer in Midden-Nederland en Zeeuws-Vlaanderen. De snor is sinds 1980 over grote oppervlaktes verdwenen en het aantal broedparen bereikte in Vlaanderen in 2002 een dieptepunt van nog slechts 10 paar. Ook in Engeland, Duitsland, Spanje, Italië, Slowenië en Moldavië gingen in de jaren 1990 de broedpopulaties achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van baardmannetjes is sterk gedaald sinds 1975 - oorzaak is waarschijnlijk het gebruik van bestrijdingsmiddelen

Toen in de loop van de jaren 1960 en 1970 in Flevoland enorme rietmoerassen ontstonden, explodeerde de populatie baardmannetjes Panurus biarmicus. Op het hoogtepunt in de periode 1973-1975 werd het aantal broedparen geschat op 7000. Daarna volgde een daling. Rond 2000 broedden er nog ongeveer 1200 tot 2000 paar in Nederland. Van de Nederlandse Baardmannetjes is ruim 85 % te vinden in drie kerngebieden: 1) Flevoland, met name de Oostvaardersplassen (65 %), 2) de buitendijkse moerasgebieden langs het IJsselmeer en de randmeren (12 %), 3) het Lauwersmeer (9 %). Volgens SOVON daalde in de periode 1990-2007 het aantal broedparen significant. Ook in Spanje, Zweden, Tsjechië, Oostenrijk en Moldavië daalde het broedbestand in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage). In de zomer bestaat het voedsel van baardmannetjes uit insecten en andere ongewervelden, in de winter uitsluitend uit zaden van riet.

De zomertaling dreigt uit te sterven in de Benelux

De zomertaling Anas querquedula is een van de fraaiste eenden die in ons land voorkomt en de tijd dat het een kenmerkende soort was van de laaggelegen graslanden in het noorden en westen des lands, ligt nog niet ver achter ons. Tot in de jaren zestig kwamen hier tenminste enige duizenden paren tot broeden. Tussen 1960 en 1992 is de zomertaling in Nederland echter met 90% afgenomen. Rond 2007 broedden er 1600 tot 1900 paar in Nederland. De zomertaling is in 2004 als kwetsbaar op de Nederlandse rode lijst gezet. De zomertaling staat ook op de Vlaamse rode lijst, de taling is daar bedreigd. Op de rode lijst van Luxemburg staat de soort als met uitsterven bedreigd. De zomertaling staat als ernstig bedreigd op de rode lijst van Duitsland. Ook in veel andere delen van Europa daalde de broedpopulatie in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Zomertalingen houden van moerasachtige gebieden met veel water en riet. Ook zijn ze regelmatig te zien in drassige weilanden met natte poeltjes. Het voedsel is dierlijk (waterkevers, kokerjuffers, muggen, mollusken, garnaaltjes, wormen, kikkervisjes) en plantaardig (knoppen, bladeren, wortels en wortelstokken, en zaden van waterplanten).

De gele kwikstaarten gaan hard achteruit in de Benelux

Gele kwikstaarten Motacilla flava hebben een voorkeur voor open landbouwgebieden met een dichte vegetatie van 40 tot 65 cm. hoogte. Gele kwikstaarten zoeken hun voedsel voornamelijk in voedselrijke weilanden op de kleigronden. Het zijn insecteneters die naar allerlei dierlijke eiwitten zoeken. Daarbij wippen ze de staart regelmatig met felle schokkende bewegingen op en neer: het typische 'kwikken' van de staart. Het gele kwikstaartenbestand is de laaste decennia geslonken naar ongeveer 40.000 tot 50.000 paren. Door de geleidelijke afname is de gele kwikstaart in 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst gezet. De gele kwikstaart is als achteruitgaand op de Vlaamse rode lijst geplaatst en als ernstig bedreigd op de Luxemburgse rode lijst. Ook in veel andere delen van Europa (Engeland, Duitsland, Zweden, Finland, Estland, Litouwen, Slowakije, Kroatië, Roemenië, Portugal. Griekenland) ging de broedpopulatie in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Sinds 1975 zijn de landelijke aantallen van de watersnip met bijna driekwart teruggelopen

Sinds 1973-1977 is het verspreidingsgebied van de watersnip Gallinago gallinago sterk gekrompen. De soort is zo goed als verdwenen uit Limburg, en sterk afgenomen in Noord- en Zuid-Holland, het rivierengebied, Midden-Nederland en Noord-Brabant. Ook in Friesland en Drenthe waar van oudsher de vroegere bolwerken te vinden zijn is de soort deels verdwenen. De huidige verspreiding van de watersnip is voor het grootste deel beperkt tot de veenweidegebieden van Friesland, Noordwest-Overijssel (met als belangrijk bolwerk de omgeving van Giethoorn en Wanneperveen) en Noord-Holland (Zaanstreek), naast sommige beekdalen in Drenthe. Ook in veel andere delen van Europa ging de watersnip in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. Het hoofdvoedsel bestaat uit onder het bodemoppervlak levende wormen, insectenlarven en andere ongewervelden.

De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit en dreigt uit te sterven in Nederland

De landelijke populatie van de grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is achteruitgegaan van ten minste 5.000 broedparen in 1950-1960 tot 1.200-1.600 in 1970-1980, 400-550 in 1989-1991, 250 in 1999-2003, en 150-180 in 2009. De grote karekiet nestelt langs de randen van rietmoerassen en langs grote open wateren met brede waterrietzones en het voedsel bestaat vooral uit water- en oeverinsecten zoals libellen en waterkevers. Het verspreidingsgebied van de grote karekiet is nu geconcentreerd in een aantal kerngebieden, met het belangrijkste bolwerk in Noordwest-Overijssel en directe omgeving (Wieden, Ketelmeer-Vossemeer, Zwarte Meer). Over de periode 1989-2001 bedroeg de afname in het bolwerk in Noordwest-Overijssel 40%. De grote karekiet gaat in grote delen van Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst.

De kemphaan is verdwenen uit Vlaanderen en bijna uitgestorven in Nederland

Het gaat bar en bar slecht met de Nederlandse kemphanen Philomachus pugnax. Ten opzichte van de jaren '50 is de stand bijna met 100 procent afgenomen. In 1950 broedden er in Nederland nog 6000 paar, rond 2002 nog maar 120 en daarna ging het verder bergafwaarts. In Vlaanderen staat de kemphaan als verdwenen op de Vlaamse rode lijst. De soort staat op de rode lijst van Duitsland als met uitsterven bedreigd. De kemphaan ging in de jaren 1990 vrijwel overal in Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De kemphaan kwam vroeger veel voor in de natte weilanden van laag-Nederland. Het zwaartepunt van de huidige broedverspreiding ligt in Friesland (in natuurreservaten en natte veenweidegebieden in het ‘Lage Midden’ van de provincie) en in Noord-Holland (Waterland, Wormer- en Jisperveld, Alkmaardermeer). In graslanden en op bewerkt land eten kemphanen overwegend regenwormen en larven van langpootmuggen (emelten).

A Disaster in the Making: A new book on the hazards of imidacloprid

A 72-page 2010 publication raises new and troubling questions about a widely used insecticide's potential for harm to bees, beneficial insects, and bird populations. Using imidacloprid as an example, Dutch toxicologist Dr. Henk Tennekes reports on the hazards of imidacloprid to insects and birds. Imidacloprid is a neonicotinoid chemical, and has systemic action in plants. Other European researchers have linked this insecticide to significant risks for honey bee populations, including possible links to Colony Collapse Disorder.

Dr. Tennekes' findings indicate that imidacloprid (and possibly other neonicotinoid-type insecticides) can bind irreversibly to critical receptors in an insect's nervous system. If these receptors are permanently blocked, the insecticide would not follow a typical dose-response curve. He provides evidence that long term low level to imidacloprid exposure can lead to neurological problems and eventual death of insects.

Studies have shown imidacloprid to be highly persistent in the environment (RCC Compendium of Pesticide Information). In his book, Tennekes presents data showing that imidacloprid has contaminated most of the waterways in the Netherlands.

Systemic activity in plants combined with long-term persistence in the environment and toxicity at low concentrations can be a dangerous combination. Many vulnerable species over large areas could be exposed to this insecticide on land, in surface water following runoff from treated areas and in groundwater due to its potential for leaching through certain soil types.

Several previous studies have shown that imidacloprid is highly toxic to various forms of wildlife, including honey bees, certain beneficial insects, upland game birds, and crustaceans

Tennekes further suggests that imidacloprid has led to a general decline in the insect populations in the Netherlands, and this lack of food in turn has been responsible for declines in bird populations.