Het broedbestand van de spotvogel is in 20 jaar gehalveerd

Het leefgebied van de spotvogel Hippolais icterina bestaat uit struwelen en verspreide groepjes bomen die beschutting bieden in half-open landschappen. Parkachtige landschappen met open plekken en bomengroepen met struikgewas zijn perfecte leefgebieden. Het 'vroegere' landbouwgebied, met hagen en houtwallen, bosranden met mantel- en zoomvegetatie voldeed prima, maar de beschikbaarheid van dergelijke gebieden neemt steeds verder af. De spotvogel neemt sinds de jaren 1960 en 1970 in Nederland af. Tussen 1979 en 1985 werden 35.000 tot 55.000 paartjes vastgesteld. In de periode 1998 - 2000 werden nog maar 17.000 tot 25.000 paartjes geteld. De aantallen zijn dus in twintig jaar tijd gehalveerd. De spotvogel is inmiddels uitgestorven in Luxemburg (1994) en in 2004 als gevoelig op de Nederlandse rode lijst gezet. Ook in België, Duitsland, Zwitserland, Denemarken, Finland, Kroatië en Servië gingen de broedpopulaties van de spotvogel in de periode 1990-2000 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort leeft van insecten en bessen en fourageert in struiken, zelden op de grond, maar wel vaak hoog in bomen.

De nachtzwaluw weet zich te handhaven binnen de resterende kerngebieden op de Veluwe en Noord-Brabant

Rond het begin van de 20e eeuw broedden enkele duizenden paren nachtzwaluwen Caprimulgus europaeus in ons land, met name op de oostelijke en zuidelijke zandgronden en in de duinstreek. Vanaf 1940 of 1950 was sprake van een duidelijke afname. De aantallen van de nachtzwaluw werden rond 1960 geschat op 1.500-2.000 paren. Rond 1975 waren minder dan duizend paren over en was het westen des lands vrijwel ontvolkt. Sindsdien zijn de laatste bolwerken in het noordoosten - op het Bargerveen na - ook vrijwel verlaten. Begin 90'er jaren broedden er nog 450 tot 600 paar nachtzwaluwen in ons land. Volgens SOVON is er sinds het midden van de jaren '90 sprake van een herstel van de nachtzwaluwpopulatie, grotendeels binnen de resterende kerngebieden: zowel op de Veluwe als in Noord-Brabant namen de aantallen weer toe.

De oeverzwaluw handhaaft zich in Nederland maar gaat in Vlaanderen en Luxemburg achteruit

De oeverzwaluw Riparia riparia broedt in zelfgegraven holen in zandige rivieroevers en verder overal waar verticale zandwanden aanwezig zijn. Kerngebieden van de oeverzwaluw bevinden zich in het rivierengebied inclusief het zuidelijke Maasdal. De oeverzwaluw broedt verder in Zuidelijk Flevoland, de omgeving van de Randmeren, Oost-Groningen, Oost-Friesland en Lauwersmeer en westelijk Noord-Brabant/Oost-Zeeland. Vliegende insecten vormen het voedsel en worden in de wijde omgeving van de broedplaats bejaagd. De eerste degelijke schatting van het aantal broedende oeverzwaluwen stamt uit midden jaren zestig; zo'n 25.000 paar. Midden jaren zeventig was het broedbestand geslonken tot 5000-8000 paar, een afname die zich doorzette tot 1985, toen met 3500 paren een dieptepunt bereikt werd.

Kerkuilen gingen in de jaren 1990 in grote delen van Europa achteruit

De zeer tot de verbeelding sprekende kerkuil Tyto alba broedt en jaagt vaak in menselijke omgeving. Veel voorkomende broedplaatsen zijn boerenschuren, kerktorens en andere bouwwerken, een enkele keer ook holle bomen. De kerkuil heeft afwisselend landschap nodig met lage vegetatie, struiken en heggen. Het voedsel bestaat voornamelijk uit veldmuizen, aangevuld met huisspits- en bosspitsmuizen. Tot in de jaren vijftig broedden jaarlijks minstens 1500 tot 3000 paar kerkuilen in halfopen landelijk gebied, vooral in het midden en oosten des lands. In 1980 waren nog maar 100 paar kerkuilen over. Sindsdien gaat het de soort weer beter, hetgeen mede te danken is aan het intensieve beschermingsprogramma. In 2000 broedden er ongeveer 2000 paren in Nederland. Deze uilen echter broeden hoofdzakelijk (ongeveer 90%) in nestkasten. Elders in Europa (Engeland, Ierland, Spanje, Italië, Polen, Tsjechië, Slowakije, Ukraine, Slowenië, Kroatië, Macedonië, en Albanië) ging de broedpopulatie van de kerkuil in de periode 1990-2000 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De onstuimige toename van broedende boomleeuweriken is de laatste 10 jaar tot staan gekomen

Het verspreidingsgebied van de boomleeuwerik Lullula arborea is vrijwel beperkt tot de hogere zandgronden (schrale heide, zandverstuivingen en open plekken in bossen) en de duinstreek. Het belangrijkste bolwerk is de Veluwe dat 40% van de landelijke populatie huisvest. Andere kerngebieden liggen in Noord-Brabant, in Limburg en in de grote boswachterijen en heidevelden in Drenthe. In het westen van het land wordt de soort vooral aangetroffen in de duinstreek tussen Camperduin en Den Haag. De broedpopulatie heeft zich in een kwart eeuw weten te verdubbelen van gemiddeld 2.800 paren in de periode 1979-1983 tot gemiddeld 5.500 paren in 1999-2003. In de laatste 10 jaren is deze onstuimige toename vrijwel tot staan gekomen, lokaal is zelfs achteruitgang opgetreden.

De kleine barmsijs is als broedvogel zo goed als uitgestorven

Tegenwoordig wordt er onderscheid gemaakt tussen de Kleine Barmsijs (Carduelis cabaret) en de Grote Barmsijs (Carduelis flammea). De kleine barmsijs broedde sinds de jaren 1940 in Nederland, terwijl de grote barmsijs verder naar het noorden broedt en alleen in de winter in Nederland aanwezig is. Het eerste broedgeval van de kleine barmsijs werd in 1942 vastgesteld op Terschelling. De soort heeft zich sindsdien sterk uitgebreid in Nederland. De kleine barmsijs bezette in Nederland met name het duingebied, maar uiteindelijk vestigde de soort zich ook in het binnenland. Tussen 1979 en 1985 beleefde de soort een piek in Nederland met tussen de 675 en 1190 paar. Hierna zakte de soort weer flink weg en verdwenen de binnenlandse populaties weer. Volgens SOVON was er sinds 1990 een significante afname van >5% per jaar en is de soort als broedvogel in Nederland nu zo goed als uitgestorven. De zaden van bomen en kruiden vormen het belangrijkste voedsel, terwijl in de zomer ook insecten gegeten worden. De soort broedt in open berken- en elzenbos, ook in heggen, duinen, en nabij moerassen en is ’s winters vaak op akkers, braakliggende grond en in parken te vinden.

De kievit kan zich sinds 1990 niet in stand houden op akkers en weilanden in Nederland

De kievit Vanellus vanellus is een bekende weidevogel en komt vrijwel overal in ons land voor maar getalsmatig met een zwaar accent op de door open graslanden gedomineerde delen van West- en Noord-Nederland en het Rivierengebied. In de nazomer zoekt de kievit ook wel de kwelders en schorren in het intergetijdengebied op. De soort foerageert in agrarisch gebied zowel op graslanden als op akkers. De kievit eet bodemfauna, vooral ongewervelden die van het bodemoppervlak of uit de bovenste bodemlagen worden geprikt, zoals wormen en insecten. De kievit was één van de weinige soorten die zich tot voor kort goed in stand kon houden op akkers en weilanden in Nederland. De broedpopulatie, die in 1998-2000 op 200.000 - 300.000 paar werd geschat, vertoont volgens SOVON echter sinds 1990 een significante afname van <5% per jaar. Volgens de Vogelbescherming is het huidige broedbestand ten opzichte van 1980 met 40% afgenomen. In Luxemburg dreigt de kievit al uit te sterven. De kievit staat als ernstig bedreigd op de rode lijst van Duitsland. De soort gaat sinds de jaren 1990 vrijwel overal in Europa achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Extreme verontreiniging van regionale wateren met imidacloprid in 2007 en 2009

Imidacloprid wordt niet standaard gemeten op innamepunten van drinkwater. De meeste innamepunten liggen echter aan grote wateren of direct daaraan gelegen zijtakken en uit gegevens van Rivierwaterbedrijven (RIWA) en de Waterdienst blijkt dat de stof daar vrijwel niet wordt aangetroffen. In regionale wateren vindt men de stof wel vaak terug en in hogere concentraties. Van de monsters waarin imidacloprid in 2007 betrouwbaar kon worden gemeten is de hoogste concentratie 54 microgram per liter. In 99% van de gevallen is de concentratie 10 microgram per liter of lager. In 2009 was de hoogste concentratie 12 microgram per liter. In 99% van de gevallen is de concentratie 4,2 microgram per liter of lager. De MTR (maximaal toelaatbaar risiconiveau) van imidacloprid voor oppervlaktewater is 13 nanogram per liter. De hoogst gemeten concentraties in regionale wateren lagen in 2007 en 2009 dus 4.154 keer en 923 keer boven het maximaal toelaatbaar risiconiveau. Dergelijke concentraties vormen een dodelijke bedreiging voor insecten en andere ongewervelde dieren.

Sinds 2002 is de grote klapekster als broedvogel uit Nederland verdwenen

De grote klapekster Lanius excubitor broedt in heidevelden, hoogvenen en andere vergelijkbare open gebieden met verspreide bomen en struiken. Rond 1900 was de grote klapekster een schaarse, maar verspreide broedvogel in het oostelijk deel van het land. Rond 1950 waren wellicht nog zo'n 100 broedparen over, terwijl midden jaren zeventig nog enkele tientallen paren resteerden. Sindsdien zijn de broedgebieden in Drenthe, Overijssel, Noord-Brabant en Limburg vrijwel verlaten. De Veluwe was het laatste bolwerk van de soort in Nederland. In de 90'er jaren broedden 15 tot 40 paar in dit gebied. Sinds 2002 is de grote klapekster als broedvogel uit Nederland verdwenen.

De visarend komt mogelijk tot broeden in Nederland

Het is nog niet met zekerheid vastgesteld of visarenden Pandion haliaetus daadwerkelijk in Nederland broeden, maar er is inmiddels de kans dat er een of enkele paren (pogen te) broeden in uitgestrekte moerasgebieden (Biesbosch, De Wieden en Weerribben). Sinds enkele jaren verblijven er gedurende het voorjaar en de zomer visarenden in Nederland. Voorheen was de soort altijd een doortrekker die hier niet tot broeden kwam. De belangrijkste pleisterplaatsen liggen in het IJsselmeergebied, het Friese merengebied, het Utrechts plassengebied en langs de grote rivieren. Maar ook elders bij allerlei zoete wateren wordt de soort regelmatig gezien. De aantallen van de visarend lijken in ons land al decennia geleidelijk toe te nemen en het verspreidingsgebied is groter geworden. Visarenden vliegen over het wateroppervlak op zoek naar prooi die zich vlak onder het wateroppervlak bevindt. Op het laatste moment gooit hij zijn poten naar voren om voornamelijk middelgrote vis te pakken. De populatie van de visarend was in de periode 1990-2000 vrijwel overal in Europa stabiel of toenemend (gegevens Birdlife International, zie bijlage)