Sterke afname van de tjiftjaf in Frankrijk en Belgie in de jaren 1990

De tjiftjaf (Phylloscopus collybita) komt in heel Europa voor en is een zeer algemene broedvogel in Nederland. De Tjiftjaf lijkt als twee druppels water op de Fitis, maar door middel van de zang zijn de fitis en de tjiftjaf eenvoudig te onderscheiden. Tjiftjaffen zijn bosvogels die houden van een rijke ondergroei; veel struikgewas en lage bomen. De vogel eet voornamelijk insecten en fourageert vaak op de grond. Volgens SOVON was er in Nederland sinds 1990 geen verandering in het aantal broedvogels, maar in Frankrijk en Belgie ging de tjiftjaf in de jaren 1990 sterk achteruit. Ook in Zweden, Finland, Griekenland en Ierland daalde het aantal het aantal broedvogels in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De fitis gaat sinds de jaren 1990 in grote delen van Noord-West-Europa achteruit

De fitis Phylloscopus trochilus komt tijdens het broedseizoen (maart tot augustus) in geheel Midden- en Noord-Europa voor, en broedt in hoge dichtheden in venen, jonge bossen en heiden. In open agrarisch gebied is de soort veel minder algemeen. Fitissen broeden op de grond - bij voorkeur tussen grassen - maar hebben beslist enkele bomen nodig als zang- en uitkijkpost. Hun voedsel, dat voornamelijk bestaat uit insecten zoals muggen, rupsen en andere ongewervelden, wordt vooral in struwelen gezocht. Volgens SOVON neemt de broedpopulatie sinds 1990 af. Ook in andere delen van Noord-West-Europa ging de fitis in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de krakeend in Nederland is binnen enkele decennia geëxplodeerd

De krakeend Anas strepera is een typische soort van vrij grote wateren. In augustus bevinden de belangrijkste pleisterplaatsen zich in Friesland, de Flevopolders, de Biesbosch, de infiltratiegebieden in de duinen en langs de randen van het IJsselmeergebied. In de winter zijn vooral het IJsselmeergebied, de noordelijke Delta en het benedenrivierengebied van belang. Krakeenden zijn planteneters, die foerageren langs de oevers van de wateren (o.a. op wieren op basaltblokken) waar ze verblijven. Ze houden nogal van wateren met allerlei kunstmatige dammen, taluds en dergelijke; waarschijnlijk vormen de draadalgen en wieren welke op het stenige substraat groeien een geliefde voedselbron. Het gaat de krakeend in Nederland voor de wind. Vergeleken met enkele decennia geleden is de populatie in Nederland geëxplodeerd, van 550-800 paren in 1973-1975 tot 6.000 tot 7.000 paren in 1998-2000. Volgens SOVON was er sinds 1990 significante toename van >5% per jaar. Ook in veel andere delen van Europa was er een sterke toename van de broedpopulatie van de krakeend in de jaren 1990 (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Als broedvogel gaat het de wintertaling niet voor de wind - de aantallen namen de laatste decennia steeds verder af

De biotoop van de Wintertaling Anas crecca bestaat uit allerlei ondiepe, zowel zoete als zoute wateren. Tijdens en direct na de broedtijd concentreert de soort zich in de Biesbosch, de Dollard en zuidelijk Flevoland om te ruien. In augustus nemen de aantallen vooral in het Waddengebied, het Lauwersmeer, de Dollard en in zuidelijk Flevoland sterk toe. Het voedsel van de Wintertaling verschilt naar plaats en seizoen: in herfst en winter voornamelijk zaden van waterplanten, ’s zomers meer dierlijk voedsel (slakken, insectenlarven, waterkevers, garnaaltjes, wormen). Als broedvogel gaat het de soort niet voor de wind; de aantallen namen de laatste decennia steeds verder af. In 1990 was er in de meeste gebieden in Nederland een sterke afname van rond de 50% ten opzichte van de periode 1968-1977. Volgens SOVON is er sindsdien nog steeds sprake van een verder gaande en significante afname van <5% per jaar. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 2250 paar in Nederland. Ook in veel andere delen van Europa ging de Wintertaling in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De weidevogels verdwijnen uit Salland en Twente

Van de aantallen weidevogels in Overijssel uit 1994 is nog maar 55% over. Eerst waren het vooral de Grutto Limosa limosa en de Veldleeuwerik Alauda arvensis die met steeds minder paren tot broeden kwamen. De laatste jaren gaat het ook slecht met de Scholekster Haematopus ostralegus en de Kievit Vanellus vanellus. In verschillende delen van Salland en Twente zijn ze nu vrijwel verdwenen. Maar ook in sommige polders in West-Overijssel kan sprake zijn van een sterke achteruitgang.

De Kievit is nog steeds de meeste voorkomende weidevogel, gevolgd door de Grutto. De Scholekster en de Wulp Numenius arquata komen duidelijk minder algemeen. De neerwaartse trend voor de Veldleeuwerik zet door. Ook de Tureluur Tringa totanus gaat verder achteruit. Voor twee kleine, minder opvallende soorten van het open landschap, de Graspieper Anthus pratensis en de Gele kwikstaart Motacilla flava, geldt dat de aantallen constant blijven of iets toenemen.

Achteruitgang van hommelsoorten heeft een negatieve werking op de zaadopbrengst van de rode klaver

De rode klaver (Trifolium pratense) is een overblijvende plant uit de vlinderbloemenfamilie (Leguminosae ofwel Fabaceae). De rode klaver werd vroeger veel gebruikt als voedergewas en komt nu weer meer in de belangstelling voor de ecologische landbouw. Rode klaver wordt nu nog wel geteeld als stoppelgewas, dat wil zeggen dat de rode klaver in maart en april onder graan wordt gezaaid en na de oogst van het graan verder groeit. De bloemen hebben erg nauwe kelkbuizen. Daarom kan de rode klaver niet door bijen bestoven worden. Zij kunnen niet in de nauwe opening. De rode klaver kan wel bestoven worden door een hommel. Een hommel heeft een uitrolbare tong en kan daarmee gemakkelijk in de nauwe kelkbuis komen. Zweedse wetenschappers hebben onlangs aangetoond dat de achteruitgang van hommelsoorten sinds de jaren 1940 een negatieve invloed op de zaadopbrengst van de rode klaver heeft.

Het aantal volken honingbijen in Nederland is sinds 1985 bijna gehalveerd

Het aantal volken honingbijen neemt de laatste decennia voortdurend af. Waren er in 1985 nog ongeveer 110.000 bijenvolken in Nederland, was dit aantal in 2005 gedaald tot 80.000. Dat betekent dat in Nederland het gemiddelde aantal bijenvolken per 100 ha, in deze periode verminderde van 3,5 naar 2,5. In Europa bedraagt het gemiddelde aantal bijenvolken 3,5 per 100 ha; het varieert van 0,2 in Ierland tot 9,9 in Griekenland. Volgens de gegevens van het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek waren er in 2009 in Nederland ongeveer 7000 imkers die naar schatting nog maar 63.000 bijenvolken hielden. Het aantal volken honingbijen in Nederland is sinds 1985 dus bijna gehalveerd. De verwachting is dat het aantal bijenvolken in de komende jaren nog verder zal dalen. Door de teloorgang van zowel het aantal wilde bijen als honingbijen zijn er steeds minder bestuivende insecten beschikbaar.

De Knautiabij en de Beemdkroon gaan beide achteruit

Beemdkroon (Knautia arvensis) is een wilde plant die stuifmeel en nectar levert aan een breed scala aan insecten. Eén bezoeker, de Knautiabij, Andrena hattorfiana, voedt haar jongen exclusief met stuifmeel van deze plant. Zowel de bij als de plant zijn recentelijk achteruit gegaan, in zowel Nederland als Engeland. Beemdkroon is nog steeds redelijk algemeen, maar al veel minder dan enkele decennia geleden. De afwezigheid van de bij zou een rol kunnen spelen in de achteruitgang van de plant. Een Zweedse studie toonde aan dat de Knautiabij een effectievere bestuiver van de Beemdkroon is dan andere bijen en zweefvliegen.

Gespecialiseerde bijen van wilde klavers hebben het zwaar

De analyse in een studie gepubliceerd in Science laat zien dat wilde bijen die gespecialiseerd zijn op wilde vlinderbloemigen achteruitgaan. Als voorbeeld kunnen de Langhoornbijen dienen (Eucera nigrescens en Eucera longicornis). Deze soorten zijn sterk achteruitgegaan. De Zuidelijke langhoornbij Eucera nigrescens is in Engeland zelfs uitgestorven en wordt in Nederland sterk bedreigd. Dit kan een gevolg zijn van een afname in sommige voedselplanten (Wikke, Lathyrus, Klaver).

Link naar het Science artikel: www.sciencemag.org/cgi/content/short/313/5785/351

De bloemenstruik Rhabdothamnus solandri dreigt uit te sterven door een gebrek aan bestuivende vogels

Het gaat niet zo goed met de bloemenstruik Rhabdothamnus solandri, die op het noordelijke grote eiland van Nieuw Zeeland leeft en voor zijn bestuiving afhankelijk is van een drietal vogels: de New Zealand bellbird Anthornis melanura, de tui Prosthemadera novaeseelandiae en de stitchbird Notiomystis cincta. Deze diertjes drinken honing uit de bloemen van de struik, waarbij ze stuifmeel overbrengen. Maar twee van die drie vogelsoorten zijn inmiddels praktisch verdwenen uit het noorden van het land. Alleen op een paar kleine eilandjes voor de kust komen de vogels nog volop voor. In hun artikel beschrijven de biologen nu hoe de struik met het verdwijnen van de vogels ook achteruit is gegaan.