De rietgors gaat in grote delen van West- en Noord-Europa achteruit

De rietgors Emberiza schoeniclus leeft, zoals de naam al zegt, in het riet dat groeit langs meren, vijvers en moerassen. Deze vogel eet ’s zomers zaden en insecten, ’s winters voornamelijk zaden. De rietgors is een talrijke broedvogel in de laag gelegen delen van Nederland. Tussen de jaren 1979 en 1985 waren er 79.000 tot 85.000 broedparen. Volgens SOVON steeg dit aantal significant in de periode 1990-2007. Rond 2007 broedden er mogelijk 100.000 paar in Nederland. In drogere delen van het land echter laat de soort een sterke afname van het areaal zien. Zo is de rietgors vrijwel volledig verdwenen van de Veluwe en uit Zuid-Limburg. De soort staat niet op de Nederlandse rode lijst. Heel anders is de situatie in Vlaanderen. De rietgors staat daar op de Vlaamse rode lijst als bedreigd. Ook in Engeland, Frankrijk, Spanje, Portugal, Noorwegen, Zweden, en Slowenië ging de broedpopulatie in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulatie van de turkse tortel is in Nederland sinds de jaren 80 gehalveerd

De Turkse tortel Streptopelia decaocto is sinds 1900 vanuit de Balkan West-Europa binnengetrokken. Het eerste geregistreerde broedgeval in Nederland was in 1949, bij Oldebroek. In België dateert het eerste vastgestelde broedgeval van 1955, bij Knokke. Het is nauwelijks voor te stellen hoe snel de uitbreiding van deze hoogproductieve broeder zich heeft voltrokken. Dat komt doordat turkse tortels tot wel 5 broedsels per jaar groot kunnen brengen. De jongen uit het eerste legsel doen een paar maanden later zelf al weer mee aan het voortplanting. Er zijn weinig of geen vogels die zich zo snel kunnen vermenigvuldigen. Bossen, tuinen, parken, stadscentra; het is zo gek niet te bedenken of de ultra-flexibele turkse tortel weet zich er aan te passen en voldoende voedsel te vinden om grote aantallen jongen groot te brengen. De vogel eet voornamelijk zaden en groene planten, maar ook ongewervelden. Toch is net als bij de huismus Passer domesticus in Nederland sinds de jaren 80 een drastische teruggang (halvering) vastgesteld. Het aantal broedvogels in Nederland werd in 1998-2000 door SOVON geschat op 50.000 - 100.000 paar.

De krooneend neemt sinds de jaren 1990 sterk toe

Krooneenden Netta rufina zijn broedvogels van meren en plassen met een riet- of kruidenrijke oever, waarin het nest wordt gebouwd. Een rijke onderwatervegetatie, liefst van kranswieren, is een vereiste, daar deze planten de hoofdmoot van het menu uitmaken. Dierlijk voedsel als slakjes en insecten vormt slechts een aanvulling hierop. Pas sinds 1942 broeden krooneenden in Nederland. Een echt forse groei zat er echter niet in; lange tijd schommelde het aantal broedparen tussen de 30 en de 65. In de loop van de jaren zeventig begon het broedbestand zelfs weer te krimpen en eind jaren tachtig waren hooguit nog 15 paren over. Door diverse maatregelen begon de waterkwaliteit in 1980-1990 weer te verbeteren, en op enkele plekken in het IJsselmeergebied ontwikkelden of herstelden zich kranswiervegetaties. Hierop reageerden de krooneenden met een toename van aantallen. Het eerst gebeurde dit in de Gouwzee, waar zich op een jaarlijks omvangrijker wordend kranswierveld in 1990-1995 tot 140 krooneenden verzamelden. In de loop van de jaren negentig nam ook in de Veluwerandmeren de hoeveelheid kranswier sterk toe, evenals het aantal krooneenden. Volgens SOVON was er vanaf 1990 significante toename van >5% per jaar. Het broedbestand werd in 2005-2008 geschat op 260 - 420 paar. Vrijwel overal in Europa was de broedpopulatie in de jaren 1990 stabiel of nam toe (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De broedpopulaties van de bonte vliegenvangers in Noord- en West-Europa gingen in de jaren 1990 achteruit

Bonte vliegenvangers Ficedula hypoleuca zijn holenbroeders die graag gebruik maken van nestkasten. Maar ook natuurlijke nestgelegenheid zoals verlaten spechtennesten, wordt graag gebruikt. Deze soort wordt vooral aangetroffen in loof-en gemengde bossen, met open plekken en een gevarieerde structuur. De bonte vliegenvanger eet voornamelijk insecten die op typische vliegenvanger manier gevangen worden, en soms ook wormen. Het aantal broedparen van de bonte vliegenvanger is 1998-2000 berekend op ongeveer 14.000 tot 18.000 paren. De marge is zo klein omdat het overgrote deel van de populatie in nestkasten broedt, waardoor een tamelijk betrouwbare indruk van de populatie bestaat. Het lijkt erop dat de aantallen niet langer groeien; in de periode 1979-1985 werden namelijk nog 15.000 tot 25.000 paren geraamd. De broedpopulaties van de bonte vliegenvanger in Scandinavië, Duitsland, Luxemburg, Zwitserland, Engeland en Moldavië gingen in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Belangrijke broedpopulaties van de boomklever in Frankrijk en Zweden gingen in de jaren 1990 achteruit

De boomklever dankt zijn naam aan het vermogen bomen zowel omhoog als omlaag te beklimmen, waardoor de vogel als het ware lijkt te kleven aan de stam, zonder te vallen. Soortenrijke bossen met loofbomen, het liefst oude eiken, en enkele open plekken zijn uitstekend geschikt voor de boomklever Sitta europaea. De soort is gebonden aan het voorkomen van spechten, welke de broedholten uithakken waarvan de boomklever gebruik maakt. Het voedsel van de boomklever wordt gezocht door nauwkeurig de schors van bomen te inspecteren op insecten. Ook zaden en noten worden gegeten; boomklevers kunnen dan ook gezien worden terwijl ze verwoed inhakken op een met de poten vastgehouden vrucht. Volgens SOVON is er sinds de jaren 1990 een significante toename van <5% per jaar. De totale Nederlandse boomkleverpopulatie werd in 1998-2000 geschat op ongeveer 16.000 tot 20.000 paren. Sinds de eeuwwisseling is de boomklever meer te zien in de buurt van bebouwing. Hij begint een beetje een cultuurvolger te worden. Belangrijke broedpopulaties van de boomklever in Frankrijk en Zweden gingen in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De boompieper gaat sinds de jaren 1990 in grote delen van Europa achteruit

De boompieper Anthus trivialis leeft graag aan de rand van bossen en open plekken. Moerassen zijn zeer geliefd, maar ook kaalgekapte bospercelen en heideterreinen worden volop bewoond door boompiepers. Enkele opvallende veranderingen in de verspreiding van de boompieper kunnen worden geconstateerd. Het rivierengebied wordt minder en minder bewoond, evenals Zeeland en Zuid-Limburg. Flevoland daarentegen is voor een groot deel gekoloniseerd. De soort is in elk geval uit een groter gebied verdwenen dan dat er aan broedgebied is bijgekomen. Volgens SOVON was er sinds 1990 een significante toename van <5% per jaar. Het broedbestand werd in 1998-2000 geschat op 35000 - 45000 paar. De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst. In grote delen van Europa (Engeland, België, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk, Kroatië, Servië, Zweden en Finland) ging het broedbestand van de boompieper in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De boompieper eet voornamelijk ongewervelden, ook af en toe zaden en fourageert voornamelijk op de grond.

De wielewaal gaat sinds de jaren 1990 achteruit

Vóór 1950 was de wielewaal Oriolus oriolus een vrij algemene bosvogel. Het geluid van de wielewaal is bekender dan de vogel zelf. Dat is niet verwonderlijk want wielewalen zijn bijzonder schuwe vogels die zich voornamelijk in de bovenste lagen van boomkronen ophouden. De wielewaal eet voornamelijk insecten, maar na de broedtijd ook aanzienlijke hoeveelheden vruchten. Eind jaren 1980 schatte men het aantal op circa 8500 broedvogels. Volgens SOVON daalde het broedvogelbestand in de periode 1990-2007. Rond 2007 broedden er nog ongeveer 4500 paar in Nederland. De wielewaal staat als kwetsbaar op de Nederlandse en Duitse rode lijst. De soort staat ook op de Vlaamse rode lijst en is daar bedreigd. In Engeland, Frankrijk, Andorra, Duitsland, Denemarken, Finland en Griekenland ging de wielewaal in de jaren 1990 achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

Het gaat de laatste jaren weer goed met de roodborsttapuit in Nederland

De broedbiotoop van de Roodborsttapuit bestaat uit redelijk open gebieden met een ruige vegetatie en verspreide opslag van struiken of bomen, zoals heidevelden, duinen en jonge bosaanplantingen. De soort broedt ook in ruige wegbermen en sloottaluds. Daarnaast vormen kleinschalige, extensief beheerde agrarische gebieden een belangrijk broedbiotoop. Het voedsel bestaat uit insecten, spinnen en wormen. Tussen de jaren zeventig van de vorige eeuw en 1990 ging de roodborsttapuit in aantal achteruit. Rond 1975 werd het aantal geschat op ongeveer 5000 paar, rond 1983 was dit nog maar 2000. De afname was het grootst in Midden-Nederland, Oost-Brabant, Limburg, Texel en de Achterhoek. De laatste jaren gaat het weer goed met de roodborsttapuit; ondanks het gegeven dat het areaal is afgenomen, groeit het aantal broedparen.

De groene specht handhaaft zich goed in Nederland

De groene specht Picus viridis is één van de meest talrijke en verspreide spechten in ons land en leeft in loof- en gemengde bossen met oude bomen en open plekken, in oude parken, etc. Hij zoekt zijn voedsel dat hoofdzakelijk uit wormen en insecten bestaat meer op de grond. Hij is dol op rode mieren maar eet ook andere insecten en bessen. De vogel vangt prooi door deze op te likken met lange kleverige tong. Waarschijnlijk trad halverwege de 20e eeuw al een afname op, vooral op de oostelijke zandgronden. Midden jaren zeventig broedden nog 6000-7500 paar in ons land. Daarna zette de afname duidelijk door, vooral in het oosten en zuiden. Rond 1985 waren nog 3000-4500 paar over. Sindsdien lijkt de populatie in Achterhoek en Zuid-Limburg iets te stijgen, terwijl het midden van het land, het rivierengebied, oostelijk Brabant en aangrenzend Limburg een verdere afname melden. In de duinstreek en in Zeeland wordt sinds midden jaren tachtig een duidelijke toename opgemerkt. Het totaal aantal broedparen lijkt sinds midden jaren tachtig stabiel te zijn en werd in 1998-2000 geschat op ongeveer 4.500 tot 5.500 paren. De soort ging in de periode 1990-2000 vooral in Oost-Europese landen achteruit (gegevens Birdlife International, zie bijlage).

De blauwborst doet het sinds 1975 goed dankzij het ontstaan van nieuwe, moerassige natuurgebieden

De blauwborst Luscinia svecica heeft verreweg de hoogste dichtheden in de Biesbosch en Oostvaardersplassen, gevolgd door Groningen, het rivierengebied, het noordelijk Deltagebied en Zeeuws-Vlaanderen. Op de hoge gronden komt de soort alleen voor in hoogveenreservaten (vooral Peel), op natte heide, in verlandingsgebieden bij vennen en in broekbossen. De blauwborst was tussen ca. 1900 en 1975 in Nederland en Vlaanderen een geleidelijk in aantal afnemende vogelsoort die broedde in kleine veenmoerassen, broekbossen langs beken en in grienden. Deze biotoop werd steeds zeldzamer door drooglegging en herverkaveling. Rond 1975 kwam hierin kentering. Door de afsluiting van het Haringvliet ontstonden verruigde, natte wilgenbossen in de Biesbosch. Ook in Flevoland ontstonden grote, moerassige natuurgebieden, evenals in het rivierengebied. Dit leidde ertoe dat de blauwborst tussen ca. 1975 en 2005 geleidelijk toenam. In 2000 werden maar liefst 9.000 tot 11.000 paren vastgesteld. De broedpopulaties van de blauwborst gingen in de periode 1990-2000 achteruit in Polen, Estland, Oostenrijk en Kroatië (gegevens Birdlife International, zie bijlage). De soort staat als gevoelig op de Duitse rode lijst. De blauwborst eet voornamelijk ongewervelden, maar ook bessen en zaden.