De Boerenzwaluw: slachtoffer van een smetteloos platteland

Al een aantal jaren heerst er in vogelminnend Nederland bezorgdheid over het teruglopend aantal zwaluwen, met name waar het de broedparen van Gierzwaluw Apus apus, Huiszwaluw Delichon urbicum en Oeverzwaluw Riparia riparia betreft. Over de Boerenzwaluw Hirundo rustica maakten we ons tot nu toe eigenlijk niet zoveel zorgen. Ten onrechte, want de moderne agrarische bedrijfsvoering laat nog maar weinig ruimte voor Hirondo rustica.

In deze tijd van het jaar, het voorjaar, wordt door mij, en met mij door vele anderen, uitgekeken naar de voorjaarsbode bij uitstek: de eerste zwaluw. Bijna altijd gaat het dan om een Boerenzwaluw (Hirondo rustica), want die meldt zich doorgaans het vroegst. Soms eind maart, meestal begin april. Maar hoeveel lentes zullen nog beginnen met de terugkeer van boerenzwa­luwen? Want de Boerenzwaluw is de afgelopen decennia fors in aantal achteruitgegaan. Onderzoek heeft uitgewezen dat tussen 1970 en 1990 de broedpopulatie in de meeste landen in West en Centraal Europa met twintig tot vijftig procent is verminderd. Voor Duitsland en Nederland is in deze periode de stand gehalveerd. En gezien de ontwikkelingen op het platteland ligt een verdere achteruitgang voor de hand.

Woningnood en voedselgebrek
Gierzwaluw, Huiszwaluw en Oeverzwaluw, dat zijn de soorten waar men zich in Nederland meestal zorgen over maakt. Hun broedplaatsen verdwijnen immers in rap tempo. Gierzwaluwen raken ontheemd doordat invliegopeningen in oude gebouwen in de binnensteden worden afgesloten. Huiszwaluwen raken hun nest kwijt doordat niet iedereen hun uitwerpselen op prijs stelt, of omdat het nest bij een verfbeurt moet wijken. En oeverzwaluwen gebruiken vaak taluds van zandafgravingen, die meestal slechts tijdelijk geschikt zijn.

Veel beschermingsmaatregelen zijn dan ook gericht op het instandhouden van hun broedmogelijkheden: vogelwerkgroepen steken taluds af, brengen 'gierzwaluwpannen' aan of plaatsen plankjes onder vervuilende nesten.

Maar voor de Boerenzwaluw is de situatie niet veel beter, al maakten we ons tot voor kort over hem eigenlijk weinig zorgen. Door zijn voorkeur voor het broeden in open schuren en dergelijke weet hij doorgaans snel een plekje te vinden. Bovendien komen boerenzwaluwen elk jaar naar dezelfde plek terug en maken ze vaak weer gebruik van het oude nest. Toch maakte Voous, in zijn 'Atlas van de Europese Vogels', in 1960 reeds gewag van teruglopende aantallen als gevolg van de toenemende hygiëne op de boerderijen. Deze verschuiving naar een 'schoner' boerenerf heeft zich in de daarop­volgende decennia onverminderd voortgezet, en werd nog versterkt door het geleide­lijk verdwijnen van het gemengd bedrijf, dat plaats maakte voor specifieke akkerbouw dan wel veeteeltbedrijven. Met als resultaat een geringer voedselaanbod, maar ook steeds minder broedmogelijkheden voor de Boerenzwaluw.

Binnenbroeder
De Boerenzwaluw heeft zich, nog meer dan de Huiszwaluw, voor zijn broedplaats sterk aan onze nederzettingen gebonden: hij broedt vrijwel uitsluitend in bouwwerken van de mens. Daarbij heeft hij een voorkeur voor schemerdonkere en beschutte plaatsen. Zijn belangrijkste belagers, kerkuilen en eksters, hebben een hekel aan kleine ruimtes: daar kunnen ze hun vleugels niet goed uitslaan. In grotere ruimten, zoals de nu gebruikelijke open ligboxenstallen, is dat geen probleem, met als gevolg dat de zwaluw een gemakkelijke prooi wordt. Helaas voor de Boerenzwaluw worden andere gebouwen op het boerenerf tegenwoordig onder andere uit oogpunt van hygiëne zo veel mogelijk afgesloten. Een openstaande deur of een open raampje is er niet meer bij. Daar komt nog bij dat de meeste hedendaagse bouwmaterialen weinig 'houvast' bieden voor een nest.

Een nest gemaakt van aarde, vermengd met speeksel, strootjes, haren en veren hecht nu eenmaal beter aan een houten spant dan aan een ijzeren balk. Dat is ook één van de redenen waardoor de vroeger zo geliefkoosde bruggetjes als broedplaats zijn afgevallen. Veel houten bruggetjes zijn verdwenen, om plaats te maken voor nieuwe, met metalen leggers. Of ze werden eenvoudig vervangen door een duiker. Dat biedt natuurlijk helemaal geen soelaas broedplaats, en bovendien is daarmee in landschappelijk opzicht niet alleen voor de mens maar ook voor de Boerenzwaluw een 'herkenningspunt' verdwenen.

Verder is ook steeds minder geschikt nestmateriaal voor handen, want modderige plaatsen treft men thans rondom de boerderij veel minder aan dan vroeger. Modderslootjes zijn verdwenen; drinkputten in onbruik geraakt. Vooral in een droog voorjaar kan dit een behoorlijke handicap zijn. Ook in ander opzicht zorgt de toenemende hygiëne er voor dat de Boerenzwaluw het steeds moeilijker krijgt. Eén van de rede­nen waarom veehouderijbedrijven meer in trek zijn bij zwaluwen dan akkerbouwbe­drijven is het voedselaanbod: dieren trekken immers veel insecten aan. Op een bedrijf met open loopstallen wordt door het vee ook nog eens de nodige stalmest geproduceerd die, uitgereden op een open mestvaalt, een grote aantrekkingskracht heeft op vliegen. Maar in de moderne ligboxenstallen verdwijnen gier en mest in een afgesloten drijfmestkelder, waarmee een belangrijke voedselbron voor vliegen onbereikbaar wordt. Zodat vervolgens ook de zwaluw zonder eten komt te zitten...

Hygiëne
De afname van de Boerenzwaluw als broedvogel in Nederland is dus in gang gezet door veranderingen in de agrarische bedrijfsvoering, in combinatie met een toe­nemende zorg voor hygiëne rondom de boerderij. Thans komen daar nog de maatregelen bij die nodig geacht worden voor een schone en veilige melkproductie, én de angst dat vogels mogelijk besmettelijke ziekten overbrengen. Dit laatste deed zich vooral gelden tijdens de mond en klauwzeerepidemie van 2001.

Wie herinnert zich niet de uitgebreide ontsmettingsmaatregelen die toen voor mens en dier van kracht waren bij het betreden van een boerderij? Toch achten virologen de kans dat een Boerenzwaluw een ziektekiem overbrengt zeer klein. Ze vangen insecten uit de lucht en komen tijdens het zitten doorgaans niet met mogelijk besmette plaatsen in aanraking. Bovendien blijft de vogel in de omgeving van de 'eigen' boerderij. Meeuwen, bijvoorbeeld, vormen in dat opzicht een groter risico.

In het kader van de zorg voor veilig en schoon geproduceerde melk is een keur­merk ingevoerd dat die kwaliteit moet garanderen, het zogenaamde KMK-keurmerk. Daarvoor worden strenge eisen gesteld aan het melktanklokaal, de plaats waar de melk bewaard wordt in afwachting van het vervoer naar de zuivelfabriek. Bedrijven die zich niet aan de richtlijnen houden lopen het risico minder voor hun geleverde melk te ontvangen. Volgens de KMK-richtlijnen worden dieren, dus ook broedende boerenzwaluwen, niet in het melklokaal getolereerd. Nu zijn strenge eisen om de voedselveiligheid te waarborgen wel begrijpelijk, maar deze maatregel 'lijkt overbodig, want de melk wordt volledig afgesloten van de buitenwereld bewaard in grote tanks. Bovendien wordt, om alle risico's uit te sluiten, de melk in de fabriek ook nog eens gepasteuriseerd of gesteriliseerd.

Toch nog kansen
Alle genoemde ontwikkelingen hebben er toe bijgedragen dat de Boerenzwaluw in de afgelopen decennia als broedvogel fors is achteruitgegaan. Een verdere achteruitgang ligt voor de hand gezien de bijkomende effecten als gevolg van de discussie over dierziekten en voedselveiligheid. Tijd dus om deze negatieve trend om te buigen. Een manier is om met name veeboeren te wijzen op de nadelen van de huidige wijze van bedrijfsvoering, en daarnaast suggesties te geven hoe men, met instandhouding van het KMK-keurmerk, toch de Boerenzwaluw een kans kan geven. Een brochure hierover is in de maak. Daarbij moet ook gewezen worden op zijn uiter­mate nuttige functie als biologische bestrijder bij uitstek. In één seizoen worden meer dan een half miljoen vliegen en muggen gegeten. De enige negatieve factor is de vervuiling met uitwerpselen, veroorzaakt door de jonge vogels gedurende de laatste week voor het uitvliegen, direct rondom het nest.

Maar gezien zijn belangrijke taak als insectenbestrijder moet men die rommel eigenlijk maar voor lief nemen, of de moeite nemen een plankje onder het nest te plaatsen. Hoopvol is dat in de huidige opvattingen over de rol van de agrariër in het landelijk gebied er meer oog is voor aspecten die met landschap en natuur te maken hebben. Het begrip 'agrarisch natuurbeheer' krijgt steeds meer aanhang. Sommige boeren beschikken over een 'natuurbedrijfsplan', waarbij wordt bekeken op welke wijze natuur en landschap op het bedrijf en rondom de gebouwen versterkt kunnen worden. Daarbij wordt ook aandacht besteed aan de wijze waarop de Boeren, maar ook de Huiszwaluw, zijn nuttige functie als biologische bestrijder van insecten waar kan maken. Een wat meer begripvolle benadering voor deze 'voorjaarsbodes' mag dan ook verwacht worden.

Auteur: Wim de Wilde
In: Nieuws Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging en Stichting Landschapsbeheer Zeeland
http://people.zeelandnet.nl/bkorteknie/nieuws%20knnv%20slz.htm

Wim de Wilde is beleidsmedewerker Natuur & Landschap bij de provincie Zeeland. Als lid van de Vogelwerkgroep van de KNNV-afdeling Beveland houdt hij zich al een aantaljaar bezig met het inventariseren van met name huiszwaluwen in 's Gravenpolder.

Lees ook:
http://www.natuurpunt.be/uploads/biodiversiteit/vogels/documenten/pag_1…
http://www.vogelbescherming.be/site/index.php?option=com_content&view=a…

Het gaat ook niet goed met de boerenzwaluw in Vlaanderen. De populatie wordt nu geschat op 20 à 30.000 broedparen tegenover 200 à 300.000 in het begin van de jaren zeventig. Het gebruik van insecticiden is één van de redenen voor de steile achteruitgang van het aantal broedende boerenzwaluwen in Vlaanderen. Boerenzwaluwen zijn voor hun voeding en het grootbrengen van hun jongen immers volledig aangewezen op insecten.
Bron:
http://www.rlsd.be/projecten/zwaluwproject/zwaluw_whats_in_a_name/boere…