Hoe de 'moderne' landbouw de kievit de das omdoet

‘Tjoewiet’. ‘Tjoewiet’. Het typische geluid van de kievit Vanellus vanellus in het vroege voorjaar, een hoorbaar signaal dat de lente is begonnen, zal door de intensivering van de landbouw steeds zeldzamer worden. Het broedseizoen van deze oerhollandse vogel loopt van half maart tot in juli. Het broeden duurt 26 à 28 dagen. De eerste legsel van de kievit komen dus tussen half april en half mei uit. Dat is precies het moment waarop akkers worden omgeploegd voor het telen van maïs en andere gewassen. Ook wordt meestal in deze periode massaal de eerste snede gras gemaaid. De kans dat de eerste legsels op graslanden en maisvelden deze invasie overleven, is aanzienlijk afgenomen. Kuikens hebben 35 tot 40 dagen nodig om vliegvlug te worden. Kuikens van de kievit zijn nestvlieders en moeten vanaf het moment dat ze uit het ei kruipen zelf hun eten bij elkaar zoeken. In Nederlandse graslanden vormen bodembewonende prooidieren zoals loopkevers (Carabidae) en bovengronds aanwezige regenwormen (Lumbricidae) de hoofdmoot van het voedsel. De bloemrijke graslanden waar veel insecten leefden zijn echter verdwenen. Grote akkers met snel opkomende maïs zijn voor de kievit ook geen aantrekkelijke biotoop. Door de behandeling van het zaadgoed met neonicotinoiden ontstaat een gebrek aan insecten en regenwormen op en vlak onder het bodemoppervlak.

De Maartensdijkse weidevogels zijn binnen enkele decennia zo goed als uitgestorven

Veel heb ik in de afgelopen veertig jaren in de omgeving van het dorp Maartensdijk zien veranderen in de samenstelling van de vogelwereld. Een aparte plaats nemen gegevens in die betrekking hebben op waamemingen die ik deed in het weilandgebied direct ten zuiden van het dorp, gelegen tussen Prinsenlaan in het oosten, het fietspad Oostveense Pad in het westen en de Nieuwe Weteringseweg in het zuiden. Die veranderingen zijn voor wat betreft de weidevogels dramatisch. Een herstel is nauwelijks te verwachten. Er was een decimering van het aantal broedende kieviten in het gebied ten zuiden van Maartensdijk: waren het in 1986 meer dan zestig paren, in de jaren daarvoor en tot in de jaren negentig vele tientallen, in 2009 en 2010 zal het aantal in dat gebied hooguit nog 10% van het eerdere broedbestand hebben bedragen. De grutto is in de loop van de jaren negentig uit de weilanden ten zuiden van Maartensdijk verdwenen. Ook de veldleeuwerik is hier aan het eind van de jaren negentig uitgestorven. De tureluur hield lang stand maar ruimt tenslotte in 2008 hier ook het veld.

30 wetenschappelijke studies in slechts 2 jaar bewijzen de oorzaak van de bijencrisis: neonicotinoiden

De Italiaanse Federatie van Bijenhouders Verenigingen heeft onlangs een beknopt overzicht samengesteld van de lawine aan wetenschappelijke studies van de laatste twee jaar die het causale verband tussen het gebruik van systemische insecticiden en de bijen crisis aantonen. Het ultieme bewijs voor de bepalende rol van het neonicotinoide insecticide imidacloprid bij de sinds enkele jaren sterk verhoogde bijenvolksterfte (tabel 5 in de bijlage) wordt geleverd met een wiskundige vergelijking, die het verband beschrijft tussen de blootstellingsconcentraties en blootstellingstijd totdat een dodelijke werking optreedt. Als je dus weet met hoeveel imidacloprid de nectar en het stuifmeel (dat was meegenomen naar de bijenkast) besmet waren, kun je uitrekenen na hoeveel tijd bijensterfte zal optreden. Dat bleek in het onderhavige geval binnen 14 dagen te zijn. Aangezien winterbijen een levensverwachting van enkele maanden hebben, betekent deze dodelijke werking dus gegarandeerd het einde van een bijenvolk.

Het bewijs werd geleverd door de Spaanse geleerde Francisco Sanchez-Bayo, die samen met zijn Japanse collega Kouichi Goka op 15 april 2012 een weerwoord op de literatuurstudie van Tjeerd Blacquiere c.s.. bij het tijdschrift Ecotoxicology had ingediend, dat echter op 2 augustus 2012 werd afgewezen door Lee R. Shugart, PhD, Editor-in-Chief van Ecotoxicology (terwijl twee van de drie reviewers van mening waren dat het manuscript - met geringe nader omschreven wijzigingen - geschikt was voor publicatie). In de literatuurstudie van Tjeerd Blacquiere et al. (Blacquière, T., Smagghe, G., van Gestel, C., Mommaerts, V., 2012. Neonicotinoids in bees: a review on concentrations, side-effects and risk assessment. Ecotoxicology 21, 973–992), die ook aan de Tweede Kamer is aangeboden, wordt vastgesteld dat de NOEL (no-observable-effect-level) voor imidacloprid bij 20 ppb ligt, maar het werk van Tennekes toont aan dat zelfs een 100-voudig geringere concentratie (0, 2 ppb) nog sterfte binnen de levensverwachting van honingbijen veroorzaakt. De risico's zijn dus schromelijk onderschat.
Desalniettemin lijken de meeste regelgevende instanties tot nu toe niet bereid om deze ongemakkelijke waarheid te accepteren. De neonicotinoïden zijn nog steeds in meer dan 100 landen toegelaten op meer dan 140 gewassen en daarnaast in het landschapsbeheer, de bosbouw, in tuinen, op sportvelden, en voor ongediertebestrijding bij huisdieren. De neonicotinoïden zijn moeilijk afbreekbaar en mobiel in de bodem en komen gemakkelijk in het grond- en oppervlaktewater terecht. Als gevolg daarvan verdwijnen insecten nu geruisloos over de hele wereld, hetgeen uiteindelijk de voedselketen zal breken en een einde zal maken aan het leven zoals wij het kennen. Dit rampscenario gaat ons allen aan.

Vogelonderzoeksbureau Sovon in Nijmegen luidt de noodklok over de kievit in Nederland

Volgens SOVON onderzoekers laat de populatie kievitten Vanellus vanellus dit jaar een sterke terugval zien. In ruim de helft van de onderzochte gebieden nam de populatie af. Gemiddeld zijn er dit jaar 18 procent minder kievitten gesignaleerd ten opzichte van vorig jaar. Op basis van decennialange metingen is bekend dat de Kievit sinds 1990 gemiddeld jaarlijks met 2 procent afnam en over de laatste vijf jaar zelfs met 6 procent. Maar als uiteindelijk alle gegevens van 2012 binnen zijn en het beeld dat uit deze verkenning naar voren is gekomen bevestigd wordt, zou dit betekenen dat naast bekende soorten als Grutto Limosa limosa, Scholekster Haematopus ostralegus en Veldleeuwerik Alauda arvensis, nu ook de Kievit Vanellus vanellus in een vrije val dreigt te belanden.

De ironie van 'moderne' landbouw - de boeren krijgen last van het verlies aan biodiversiteit die ze zelf hebben veroorzaakt

Het uitsterven van planten- en diersoorten zet ook de wereldwijde productie van voedsel onder druk. Dat stelt de IUCN op basis van de Rode Lijst van bedreigde soorten. Ongeveer 1 op de 5 plantensoorten wordt wereldwijd met uitsterven bedreigd. Daarmee verdwijnen ook wilde varianten van soorten die boeren veel verbouwen. Bij de veredeling spelen wilde varianten een essentiële rol in het verhogen van de opbrengst van gewassen. Van de 113 belangrijkste voedselgewassen wereldwijd zijn er 87 voor de bestuiving afhankelijk van insecten, vleermuizen en vogels. Van de vleermuissoorten wordt 18% in zijn voortbestaan bedreigd en van alle vogelsoorten zit 13% in de gevarenzone. Naast bestuiving zorgen vleermuizen en vogels ook voor de natuurlijke bestrijding van ongedierte in de landbouw.

De intensivering van de landbouw heeft binnen enkele decennia eeuwenoude natuurwaarden vernietigd

De mens heeft grondig ingegrepen op de oorspronkelijke natuurtypes. Moerassen werden droog getrokken, bossen gerooid, rivieren ingedijkt. De dynamiek van de landbouw kwam in de plaats van de dynamiek van de natuur, maar er bleef duizenden jaren op en rond de landbouwpercelen veel ruimte voor natuurwaarden, tot diep in de twintigste eeuw. Na de Tweede Wereldoorlog werd de landbouw drastisch veranderd. Schaalvergroting, nieuwe teelten, enorme productiestijging en toenemende concurrentie werden de ordewoorden van de sector. Kunstmeststoffen en pesticiden werden geïntroduceerd. Het paard werd vervangen door steeds grotere machines. De gevolgen voor de natuur waren dramatisch. Akkervogelpopulaties zijn ineengestort, de grasvegetatie werd éénvormiger, de kruiden verdwenen. Er is geen ruimte meer voor andere vegetatie dan de cultuurteelt.

Het prachtklokje dreigt als wilde plant te verdwijnen uit Nederland

De sterke achteruitgang van het prachtklokje Campanula persicifolia heeft zich voortgezet gedurende de afgelopen jaren. Inmiddels resteren er nog maar drie kleine populaties in Zuid-Limburg. Het prachtklokje is een typische zoomplant van kalkrijke grond. In bossen komt zij gewoonlijk voor waar relatief veel licht doordringt tot de bosbodem, zoals op kapvlaktes, langs bospaden, in bosranden of waar bomen zijn omgewaaid. In graslanden en op kalkrotsen groeit zij vooral op plaatsen waar sprake is van enige beschaduwing door bomen of struiken. De plant komt van nature voor in Europa en wordt al vanaf 1554 in siertuinen gebruikt.

Een graanakker vol roodbloeiende klaprozen behoort tot het verleden

Klaprozen zijn opvallende en zeer kenmerkende planten voor het agrarisch gebied. Vroeger kon men klaprozen massaal aantreffen langs korenvelden, vaak in gezelschap van o.a. korenbloemen. Klaprozen zijn in het Verenigd Koninkrijk het symbool van de Eerste Wereldoorlog omdat ze op de slagvelden in Vlaanderen uitbundig bloeiden. Tegenwoordig worden de akkers voor de klaprozen te zwaar bemest en is er ook veel meer onkruidbestrijding ten gunste van de landbouwgewassen. Zelden tref je dan ook nog een graanakker vol roodbloeiende klaprozen aan. Hele generaties groeien op die niet beter weten dat graanakkers alleen maar kleurloos groen zijn. Stichting het Limburgs Landschap heeft in het Middenlimburgse bij het Schrevenhof, Reigersbroek en Linnerveld een aantal akkers in eigen beheer. Door geen onkruidverdelgers en beperkt organische mest te gebruiken, krijgen vroeger talrijke akkerkruiden er weer een kans.

De kortsnavelboomkruiper is een vrij zeldzame broedvogel in Nederland

De taigaboomkruiper (Certhia familiaris), ook wel kortsnavelboomkruiper genoemd, is een zangvogel uit de familie van boomkruipers (Certhiidae). De soort broedt overwegend in naald- en gemengd bos. In Nederland komen twee ondersoorten voor: de taigaboomkruiper (C. f. familiaris) en de kortsnavelboomkruiper (C. f. macrodactyla). De taigaboomkruiper is een vogel die jaarlijks wordt waargenomen, vooral in Noord-Nederland (Waddeneilanden). Deze vogels zijn waarschijnlijk afkomstig uit Scandinavië, waar dit een vrij algemene bosvogel is. De andere ondersoort die voor het gemak maar de oude naam kortsnavelboomkruiper heeft gehouden, is een vrij zeldzame broedvogel. Dit werd pas in 1993 ontdekt. Toen waren er al 16 territoria met zingende kortsnavelboomkruipers in de bossen bij Vaals (Zuid-Limburg). Er zijn volgens SOVON onvoldoende gegevens beschikbaar voor een trendanalyse. Het voedsel van deze vogelsoort bestaat uit kleine ongewervelden.

In Nederland is de roodhalsfuut een zeldzame broedvogel

Sinds medio de jaren tachtig van de vorige eeuw broeden er roodhalsfuten (Podiceps grisegena) in Nederland. Drenthe is de enige provincie waar in de periode 1998 - 2000 gebroed werd, en dan nog met hooguit 10 paartjes. Het aantal broedvogels in Nederland werd in 2005-2008 door SOVON geschat op 8 - 12 paar. Roodhalsfuten broeden op zoetwatermeren en riviermeren. Meestal is er enige plantengroei. Het drijvende nest wordt gemaakt van rottende waterlanten en oeverplanten. Het voedsel bestaat uit waterinsecten en hun larven, waterslakken en andere kleine aquatische ongewervelden.